1957 Met de lancering van Spoetnik I werd het voor de Verenigde Staten van Amerika plots duidelijk dat zij niet zo almachtig en onkwetsbaar waren als ze in de periode die na de Tweede Wereldoorlog kwam wel dachten (zie ook Spoetnikcrisis). Als onmiddellijk reactie op de lancering werd binnen het Amerikaanse ministerie van defensie het Advanced Research Projects Agency (ARPA) opgericht. ARPA moest instaan voor het ontwikkelen van technologie die de Amerikaanse defensie in staat zou stellen om niet verrast te worden door de technologisch geavanceerde vijand.
Een van de projecten waaraan de ARPA-denkgroep werkte was het ontwikkelen van een veilige manier om te communiceren met de vele universitaire instellingen die voor ARPA aan het werk waren. Het systeem zou bestaan uit een computernetwerk. Dit computernetwerk moest zowel stabiel als onafluisterbaar zijn. Om aan deze beide eisen te voldoen werd er gekozen om de gegevens op te splitsen in kleine pakketjes en deze pakketten via verschillende routes naar de eindbestemming te sturen. Op de eindbestemming kunnen de verschillende pakketten dan terug worden samengesteld tot het origineel bericht. Dit concept maakt het systeem onafluisterbaar en onafhankelijk van onderbrekingen in het netwerk.
1962 In augustus van dat jaar schreef J.C.R. Licklider van de R&D firma Bolt, Beranek and Newman (BBN) een aantal memoranda over ideeën voor een computernetwerk, dat bedoeld was om aangesloten computers van verschillend fabrikaat met elkaar te laten communiceren ("Galactic Network Concept"). Veel van de ideeën van Licklider zijn nu terug te vinden in het huidige internet.
1968 ARPA keurde een plan goed dat was voorgesteld door de denkgroep van wetenschappers van verschillende universiteiten en researchorganisaties. ARPA opende een openbare aanbesteding voor de uitvoering van het plan.
1969 Op 7 april 1969 werd het project gegund aan Bolt, Beranek and Newman, en in november was het ARPANET een feit. Het netwerk bestond uit twee hostcomputers en verbond Universiteit van Californië te Los Angeles met de Stanford-universiteit in Palo Alto, Californië. Vanaf december van hetzelfde jaar waren er, met de toevoeging van Santa Barbara (Californië) en Utah, vier hostcomputers op het ARPANET aangesloten.
1971 Tegen het eind van het jaar waren 23 hosts met het ARPANET verbonden. Ray Tomlinson van BBN onwikkelde software die ARPANET-gebruikers in staat stelde onderling berichten uit te wisselen. Daarbij zond hij de eerste e-mail over een computernetwerk. Hij koos het @-teken om individuele gebruikers te adresseren die aangesloten waren op een bepaalde ARPANET-host.
1972 De Internetworking Working Group (IWG) werd opgericht en het ARPANET werd opengesteld voor niet-universiteiten en overheidsinstellingen.
1974 Door ARPA en Stanford werd een standaard protocol uitgewerkt om verschillende netwerken via het ARPANET te laten communiceren, het Transmission Control Protocol/Internet Protocol (TCP/IP). TCP/IP werd vanaf de start opgevat als een open standaard die alle vormen van communicatie tussen alle soorten netwerken moest mogelijk maken. TCP/IP kan worden gezien als DE grote stap voorwaarts naar het internet zoals het nu bestaat.
In de periode tussen 1974 en 1984 ontstonden er verschillende computernetwerken (Telenet, MFEnet, SPAN, Usenet, Bitnet, CSNet, Eunet, EARN...) die één voor één ook aan ARPANET werden gekoppeld.
1982 ARPANET stapte finaal over op TCP/IP voor het gegevenstransport over het netwerk. Hiermee was het eigenlijke internet geboren. De wereld beschikte nu immers over een open netwerk van netwerken gebaseerd op TCP/IP.
1984 Het internet bestaat reeds uit 1000 verschillende hosts. Ook begonnen de eerste problemen het hoofd op te steken. Het internet werd immers groter en drukker, omwille van het populaire e-mail, dan ooit was voorzien bij het ontwerpen van de onderliggende protocollen.
Tot 1984 kreeg elke host op het internet een unieke naam toegewezen en bestond er een lijst met daarop de namen van alle hosts op het internet. Om het hoofd te kunnen bieden aan de steeds groeiende hoeveelheid hosts werd van dit systeem afgestapt en ging men over op het gebruik van het Domain Name System (DNS).
1986 In Amerika werd NSFNet in gebruik genomen. NSFNet functioneerde als hogesnelheidsbackbone voor het internet in Amerika. Via NSFNet verdween zo een extra barrière in de verdere groei van het internet, namelijk de beperkte bandbreedte. Het aantal hosts was in 1986 opgelopen tot 5000.
25 april 1986 eerste internetverbinding met Nederland. Details staan op de website van de Stichting Internet Domeinregistratie Nederland http://www.sidn.nl/sidn/flat/Algemeen/Over_SIDN/Geschiedenis/Vijf_jaar_SIDN/index.html
1987 Het internet bestond in 1987 uit 28.000 hosts. Aangezien NSFNet niet toegangelijk was voor commerciële doeleinden werd UUNet opgericht, de eerste commerciële internetfirma.
1989 Het internet omvat meer dan 100.000 hosts.
1990: Het internet omvat meer dan 300.000 hosts en de originele backbone van het internet, ARPANET, houdt op te bestaan.
1991 NFSNet werd beschikbaar gemaakt voor commerciële doeleinden.
1993 Het gemak om webpagina's te maken en naar bestaande pagina's te linken veroorzaakte een exponentiële groei. De eerste zoekmachines verschenen. Lycos werd in 1993 ontwikkeld als onderzoeksproject op een universiteit. Eind 1993 had Lycos 800.000 webbladzijdes geïndexeerd.
1993 De browser Mosaic deed zijn stormachtige intrede.
1994 Eerste on line-winkels.
1995 Eerste on line-radio met RealAudio. Eerste toepassingen van Java en JavaScript
1996 Eerste internettelefonie. Browseroorlog tussen Internet Explorer en Netscape Navigator.
1998 Eerste portaalsites. Eerste toepassingen van XML.
1999 Opkomst van on line-banking via het internet. Eerste toepassingen van MP3.
2000 Opkomst van Napster. Eerste toepassingen van draadloos internet en IPv6.
2000 Internethype krijgt voet aan wal
2002 Eerste weblogs.
2003 De slammer- en blaster-wormen leggen grote delen van het internet tijdelijk plat.
Content afkomstig van www.wikipedia.org
© Patrick Tez Bloom 2006 Interaction Design - Willem de Kooning Academie Rotterdam